Hebreeuws

De Bijbelse taal 1

Hebreeuws, een Semitische taal
Het Hebreeuws is de belangrijkste grondtaal van het Oude Testament(1). In het Oude Testament wordt gesproken over de "Tale Kanaäns" (Jesaja 19:18), de taal van Kanaän en over de "Joodse Taal" of "Judees" (2 Kon. 18:26,28; Jesaja 36:11,13; Nehemia 13:24). Pas later - vooral in het christelijke tijdperk - wordt de term "Hebreeuws" (=Ivriet) gebruikt, afgeleid van het woord "Hebreeër (=Ivrie). In Nederland wordt modern Hebreeuws van klassiek Hebreeuws onderscheiden door modern Hebreeuws met Ivriet aan te duiden.

Het Hebreeuws behoort tot de Semitische taalfamilie. De benaming "Semitisch" werd pas in de 18de eeuw na Chr. toegepast op deze taalgroep en gaat terug op de naam van Noachs oudste zoon Sem (Gen.5:32), op grond van het feit dat bijna alle van Sem afstammende volken (2) een taal spraken (of nog spreken), die tot één grote taalfamilie behoren.
De Semitische talen worden over het algemeen ingedeeld op grond van de geografische verspreiding in het Westaziatische gebied, dat zich vanaf de Middellandse Zee uitstrekt tot Tweestromenland en van het Kaukasus-gebergte tot aande zuidelijke kusten van Arabië.
De Semitische taalfamilie wordt verdeeld in een oostekijke en een westelijke tak of taalgroep.
De Oostsemitische taalgroep omvat een zeer oude en belangrijke taal: het Akkadisch, ook wel Assyrisch-Babylonisch genoemd.
De Westsemitische taalgroep wordt onderverdeeld in Noordwestsemitisch en Zuidwestsemitisch.
De Noordwestsemitische taalgroep bestaat uit verschillende talen en dialecten. Twee belangrijke vertakkingen van de Noordwestsemitische taalgroep zijn het Kanaänitisch en het Aramees. Het Kanaänitisch omvat o.a. de volgende talen of dialecten: Hebreeuws, Fenicisch (3), Ugaritisch, Moabitisch, Ammonitisch en (waarschijnlijk ook) het Eblaïtisch (4).
Van de vele vertakkingen van het Aramees is het Syrisch de belangrijkste vertegenwoordiger.
Tot de Zuidwestsemitische taalgroep behoren het Arabisch en het Ethiopisch.
Wij zien zo dat binnen de Semitische taalfamilie het Hebreeuws tot de Kanaänitische talen of dialecten behoort.

Algemene kenmerken van een Semitische taal
De Semitische taalgroep wordt door een aantal eigenschappen gekenmerkt, waarvan de volgende de meest onderscheidende zijn:
Medeklinkers vormen de basisstructuur van de taal.
Keelletters: typisch oosterse keelklanken, ook laryngalen genoemd.
Emfatische medeklinkers: letters, die zeerscherp worden uitgesproken.
De wortel (radix) van de woorden bestaat (meestal) uit drie medeklinkers (radicalen), b.v. šlm. Klinkers hebben hier een ondergeschikte functie; zij geven verscheidenheid en veranderingen van de grondbetekenis van de wortel aan. B.v. šālom, (vrede), šālem (welzijn, geheel, volledig), šallām (betaalmeester). (In dit voorbeeld wordt de sjin met š getranscribeerd.)
Bij het vervoegen van het werkwoord worden niet primair de verschillende tijden uitgedrukt, maar de verschillende handelingswijzen.
Het naamwoord heeft alleen het mannelijke en het vrouwelijke geslacht; onzijdig komt niet voor.
Het persoonlijk voornaamwoord kan in de vorm van een achtervoegsel (suffix) achter een naamwoord, werkwoordsvorm of voorzetsel gevoegd worden.
Bij de zinsbouw komt hoofdzakelijk het nevenschikkend zinsverband (parataxis) voor, terwijl het onderschikkend zinsverband (hypotaxis) zelden voorkomt. (5)

Het Hebreeuwse schrift
In de Semitische oudheid werd het schrift al zeer vroeg als fundamenteel element in de ontwikkeling en beschaving van de mens beschouwd. Reeds tegen het einde van het derde millennium v. Chr. werd in het oude Nabije Oosten de schrijfkunst beoefend. Verschillende soorten schrift werden hier geboren en ontwikkeld, o.a. het pictografisch schrift (6), hiëroglyfisch schrift (7) en spijkerschrift (8).
In dezeontwikkeling van de diverse schriftsoorten is de "ontdekking" van het alfabetische schrift het hoogtepunt, omdat hierdoor op vereenvoudigde wijze een zeer exacte en doeltreffende uitdrukkingsmogelijkheid geboden wordt. Over de oorsprong en ontwikkeling van het alfabet (9) zijn verschillende theorieën. Sommigen menen dat de Feniciërs de schrijfkunst van de Egyptenaren overnamen en ontwikkelden, waarna het door de Grieken werd overgenomen. Anderen nemen aan dat het Fenicische schrift zich ontwikkeld heeft uit het Akkadische spijkerschrift, het Hettitische hiëroglyfenschrift en het syllabische (= lettergrepen) schrift van Cyprus.
Dat de Feniciërs een uiterst belangrijke rol hebben gespeeld in het ontwikkelen en overleveren van het alfabeth lijdt geen twijfel.
Deze ontwikkeling heeft een opvallende eigenaardigheid: in de oosterse wereld werden en worden de letters van rechts naar links geschreven, terwijl de Grieken het van de Feniciërs overgenomen alfabeth van links naar rechts gingen schrijven. Hoogstwaarschijnlijk werd de schrijfrichting o.a. bepaald door het materiaal waarop men schreef en het instrument dat hierbij gebruikt werd.
Het feit dat de Feniciërs het schrift ontwikkelden, heeft vruchtbare gevolgen gehad, zowel voor de oosterse als voor de westerse wereld. Zij hebben hiermee immers de basis gelegd voor de verdere ontwikkeling van het schrift.
Het moderne onderzoek naar de oorsprong van het alfabeth begon in het begin van deze eeuw met de ontdekking van de z.g. "proto-Sinaïtische" inscripties (10), die op het Sinaï-schiereiland werden gevonden. Deze (korte) inscripties zijn geschreven in een (toen nog) onbekend pictografisch schrift, dat rond 1500 v. Chr. gedateerd wordt.
Ook in het gebied van Palestina zijn pictografische inscripties gevonden - de meeste uit latere tijd dan de proto-Sinaïtische inscripties. Dit vroeg-Palestijnse materiaal bestaat hoofdzakelijk uit inscripties op aardewerkscherven, zegels en enkele op metaal. Het schrift van deze inscripties noemt men proto-Kanaänitisch schrift en wordt gedateerd tussen de 13de en 11de eeuw v. Chr.
Er zijn veel gegevens die er op wijzen dat (hoogstwaarschijnlijk) dit pro-Kanaänitische schrift de bron is geweest van de latere vormen van alfabetisch schrift, die zich hieruit ontwikkeld en over de wereld verspreid hebben.
Het Fenicische schrift dat men rond 1100 v. Chr. dateert, is de belangrijkste tak die uit het proto-Kanaänitische voortkwam, want hieruit is het Oudhebreeuwse alfabet, het Aramese alfabet en later ook het Griekse alfabet ontwikkeld.
De Hebree 11de eeuw v. Chr. het alfabetische schrift over van de Kanaänieten, de Feniciërs. Zij gebruikten dit Fenicische schrift, totdat zij in de 9de eeuw v. Chr. een eigen schrift ontwikkelden. Deze ontwikkeling liep uit op een zeer cursief (= schuin geschreven) schrift. De meeste inscripties in dit cursiefschrift komen voor op aardewerkscherven.
Op hun beurt hadden ook de Arammeeërs tussen de 11de en 10de eeuw v. Chr. het Fenicische schrift overgenomen en ontwikkeld. De ontwikkeling van het Aramese schrift staat geheel los van die van het Hebreeuwse schrift. Een belangrijk produkt van de ontwikkeling van het Aramese schrift is het z.g. quadraatschrift (zie "Het alfabet en het schrift").
In het Babylonisch-Assyrische rijk en laterin het Perzische rijk werd de Aramese taal en schrijfwijze officieel gebruikt, vooral in de administratie. Vanaf de 5de eeuw v. Chr. drongen de Aramese taal én het Aramese schrift steeds meer op als "internationaal, officieel communicatiemiddel". Veel volken spraken het Aramees als tweede taal (vergelijk dit met het Engels in onze tijd). Het Oudhebreeuwse schrift werd toen - zowel in Judea als in Samaria - hoofdzakelijk nog gebruikt voor het schrijven van bijbelteksten.
Toen in 586 v. Chr. Jeruzalem verwoest werd en de meeste (vooral belangrijke en vooraanstaande) bewoners van Judea in ballingschap werden weggevoerd naar Babylonië, bleven de achtergeblevenen (eenvoudige mensen die het veld bewerkten) het Oudhebreeuwse schrift (nog) gebruiken. Het Aramees bleef echter opdringen. De joden in Babylonië en ook elders namen de Aramese taal en het schrift over. Zo kon het Aramese schrift ook Palestina binnen dringen.
Uiteindelijk werd dit nieuwe Aramese schrift ook gebruikt om de heilige Torah-rollen te schrijven.
DeTalmoed (= verzameling van rabbijnse leer, literatuur en tradities) vermeldt da het toepassen van het Aramese schrift voor het schrijven van de bijbelse boeken wordt toegeschreven aan Ezra, die dit schrift uit Babylonië had meegenomen.
Hiermee werd het Oudhebreeuwse schrift vervangen door het Aramese quadraatschrift, dat wij heden in het Oude Testament vinden.

Ontwikkeling van de Hebreeuwse taal
Over de moedertaal van de Hebreeërs is weinig bekend. Men neemt over het algemeen aan dat het een taal (of dialect) is geweest, die verwant was aan het Oudaramees. De woorden van Deut. 26:5 wijzen b.v. in deze richting.
In de 13de eeuw v. Chr. trok het volk Israël onder leiding van Jozua het gebied van Kanaän binnen. Nadat zij zich in het Beloofde Land hadden gevestigd, werkten de Kanaänitische invloeden van hun nieuwe omgeving steeds meer in op hun oorspronkelijk Aramese moedertaal. Deze beïnvloeding werkte door, totdat de Israëlieten uiteindelijk de taal van Kanaän geheel hadden overgenomen. Zeer terecht wordt Hebreeuws in Jesaja 19:18 de "tale Kanaäns" genoemd.

De geschiedenis van de Hebreeuwse taal is zeer lang en strekt zich uit tot in onze dagen.
a.) De taal van het OT (= Oude Testament) wordt bijbels Hebreeuws genoemd, hoewel deze benaming niet helemaal klopt, omdat de indruk gewekt wordt dat deze vorm van Hebreeuws uitsluitend in het OT is overgeleverd. Al is er maar zeer weinig niet-bijbels matriaal, waar wij deze3 Oudhebreeuwse taal aantreffen, tóch is het duidelijk dat deze taal niet alléén in het OT voorkomt. Daarom is de aanduiding klassiek Hebreeuws exacter dan de benaming bijbels Hebreeuws, hoewel deze laatste term het meest gehanteerd wordt.

Buiten het OT komt het Oudhebreeuws o.a. voor in:
- de boerenkalender uit Gezer, uit de 10de eeuw v. Chr.
- een aantal scherven (ostraca) uit de 8ste eeuw v. Chr., gevonden in een gebouw dat bij het koningklijk paleis te Samaria behoorde
- de inscriptie uit de Šiloaḥ-tunnel, stammend uit de 7de eeuw v. Chr. (over de bouw van deze tunnel kunt u lezen in 2 Kron. 32:30)
- de Lachish-brieven, scherven die niet lang vóór de val van Jeruzalem - in 586 v. Chr. - geschreven zijn
- de vele scherven uit Arad, stammend uit de periode tussen de 9de en 6de eeuw v. Chr.
b) In grote lijnen loopt de periode van het Oudhebreeuws vanaf ca. de 12de tot aan de 2de eeuw v. Chr.
In het verloop van deze lange tijd is het Hebreeuws onophoudelijk in beweging geweest, omdat het - zoals elke taal - voortdurend aan verschillende invloeden blootstond. Talen als het Aramees en het Fenicisch hebben hun sporen in het Hebreews achtergelaten.
In het Oudhebreeuws, dat in het gebied waar de 12 stammen van Israël woonden word gebruikt, kan men ook regionale verschillen onderscheiden.
Zo was er een noordelijk en een zuiderlijk dialect. Hiernaast bestonden ook nog dialectische verschillen. Hiervan is Richteren 12:6 een bekend voorbeeld: in de strijd, die ontstaan was tussen de Efraïmieten en de Gileadieten, hadden de laatstgenoemden een eenvoudige manier gevonden om de Efraïmitische vluchtelingen te herkennen. Wetende, dat de Efraïmieten de sj-klank (שׁ) niet konden uitspreken, lieten zij elke verdachte het woordje SJibbólet (שִׁבֹּלֶת = aar) zeggen. Zei de persoon in kwestie Sibbólet (סִבֹּלֶת), dan werd hij als Efraïmiet geïdentificeerd en gedood.
c) De contacten met andere volken hebben het Oudhebreeuws veelvuldig beïnvloed. Vooral de invloed van het Aramees was zeer sterk.
Deze Aramese invloed op het Hebreeuws begon in de 6de eeuw v. Chr. (de tijd van de Babylonische ballingschap) steeds sterker te worden om uiteindelijk het Hebreeuws geheel te verdringen. Wij zagen reeds dat in deze tijd ook het Oudhebreeuwse schrift door het Aramese werd vervangen.
Vooral de jongere bijbelboeken tonen deze Aramese invloed; de boeken Daniël en Ezra bevatten zelfs in het Aramees geschreven gedeelten (hoofdzakelijk documenten en officiële stukken). In de christelijke tijd was het Aramees de algemene omgangstaal geworden, i.p.v. het Hebreeuws. Hiervan getuigen de vele arameïsmen, die men ook in het Nieuwe Testament tegenkomt.
Vanaf de 2de eeuw na Chr. begint de periode van het latere Rabbijns (of Misjna)-Hebreeuws. Deze periode loopt tot ca. de 9de eeuw na chr. Het Hebreeuws, dat men als lireraire taal
gebruikt van de 10de tot de 18de eeuw na Chr., noemt men middeleeuws Hebreeuws.
Rond 1750 begon het Nieuwhebreeuws (ook wel modern Hebreeuws) zich te ontwikkelen met de verschijning van de eerste Hebreeuwse kranten en tijdschriften. In de loop van de 19de eeuw werd het modern Hebreeuws meer en meer als levende taal gebruikt, vooral in het Palestina en Israël van vandaag.



Noten Judaica
(1) Naast het bijbels Hebreeuws komen in het OT enkele gedeelten voor, die in het bijbels Aramees zijn geschreven. Ezra 4:8 - 6:18; Ezra 7:12-26; Daniël 2:4 - 7:28 en Jeremia 10:11 (één vers); Gn. 31:47 (twee woorden).
(2) Zie de z.g. "Lijst der Natiën" in Gn. 10 vanaf vers 21.
(3)De Feniciërs hebben veel kolonies gesticht op de eilanden en langs de kust van de Middellandse Zee; op deze plaatsen sprak men Punisch, een dialect van het Fenicisch.
(4) De taal, waarin duizenden kleitabletten geschreven zijn, die in 1975 werden ontdekt in een paleisarchief te Tell Mardikh, de plaats van het oude koningkrijk Ebla.
(5) Nevenschikkend zinsverband is de verbinding van gelijkwaardige naast elkaar geplaatste zinnen. Onderschikkend zinsverband is de verbinding van een ondergeschikte bijzin met zijn hoofdzin.
(6) In het pictografisch schrift worden de aangeduide zaken in vereenvoudigde vorm of door middel van symbolen (tekeningetjes) afgebeeld.
(7) Hiëroglyfisch schrift maakt gebruik van hiëroglyfen; dit zijn tekens van beeldschrift. Dit schrift werd vooral door de Egyptenaren gebruikt.
(8) Het spijkerschrift heeft de vorm van kleine spijkertjes en wiggen.
(9) Het woord "alfabet" wordt gevormd door de namen van de twee eerste letters van het Griekse alfabet: alfa, beta (vergelijk dit met de namen van de Hebreeuwse letters 'alef. bet.).
(10) Een inscriptie is een inschrift of opschrift, dat in aardewerk, steen, metaal of ander materiaal werd gekerfd, gebeiteld of gegraveerd.

Terug