Hebreeuws

De Bijbelse tijd 1

De aartsvaders
De hoofdbron voor de geschiedenis van het volk Israël is het Oude Testament. Wat de aartsvaders betreft, is de bijbel de enige bron, die informatie bevat over hunlevens, omstandigheden, geschiedenis, enz. Het eerste bijbelboek Genesis speekt over de drie aartsvaders - ook wel patriarchen - Abraham, Izaäc en Jacob; van hen stamt het joodse volk af.
De Geschiedenis begint in de eerste helft van het 2de millennium v. Chr. Het 12de hoofdstuk van Genesis vertelt ons dat Abraham, een afstammeling van een zoon van Noach, door God geroepen wordt om uit zijn geboortestreek weg te trekken naar een land dat hem gewezen zou worden. Bij deze roeping ontvangt Abraham de goddelijke belofte, dat uit hem een zeer groot volk geboren zou worden. Gehoor gevend aan deze roeping en vertrouwend op de belofte, vertrekt Abraham met zijn familie uit Ur der Chaldeeën. Hij is een welgesteld man en voert zijn vele bezittingen mee op reis. Zij komen in het land Haran aan, waar Abrahams vader Terah sterft. Abraham trekt verder naar het land der belofte, zich in het geloof vastklampend aan hetVerbond dat God met hem gesloten had. Zo komt hij vanuit Mesopotamië tenslotte in het land Kanaän aan.
Abrahams zoon Izaäc huwt een dochter uit zijn vaders geboorteland en familie. Uit dit huwelijk werd de derde aartsvader Jacob geboren. Jacob huwt - evenmin als Izaäc - geen Kanaänitische vrouw uit zijn omgeving; ook hij trekt naar het land van zijn voorouders om daar een vrouw te zoeken. Jacob huwt twee dochters van zijn oom Laban. Zijn 12 zonen zijn voorouders van de 12 stammen, die het volk Israël vormden. Jacob ontvangt van God de naamIsraël. Daarom wordt het volk, dat uit zijn 12 zonen voortkwam, ook wel de "kinderen Israëls" genoemd.
Over de historiciteit van de patriachen is en wordt veel geschreven en gezegd. Niet allen beschouwen hen als historische personen, maar zien hen eerder als mythologische figuren, stamhelden of als legendarische personages. Sommigen beschouwen de bijbelse verhalen niet als historisch betrouwbare bron, maar zien ze als literair materiaal van mythologische, legendarische en/of godsdienstige aard. Dergelijk materiaal is er in het oude Nabije Oosten zeer overvloedig geweest. Hierin worden dan helden en hun daden beschreven, goden en hun oorlogen, hartstochten en machten bezongen, monsters en hun omgeving geschilderd. De inhoud van deze verhalen is over het algemeen bovennatuurlijk, fantasierijk en in strijd met de werkelijkheid. De bijbelse verhalen daarentegen, beschrijven de aartsvaders op zeer natuurlijke wijze en overeenkomstig de situatie en realiteit van die periode. Veel gegevens uit de patriarchenverhalen vindt men terug in andere bronnen en blijken dus niet aan fantasie, traditie of mythen te moeten worden toegeschreven. Gewoonten, zeden, instellingen enz. uit de periode van de aartsvaders blijken op grond van niet-bijbels materiaal zeer gewoon en ingeburgerd te zijn geweest. In tegenstelling tot de grote hoeveelheid legendarisch en mythologisch matriaal, lijkt de inhoud van de aartsvadersverhalen reëel en niet in strijd te zijn met de toenmalige wereld en zijn tijd.

De Exodus
Hoofdstuk 31 van Genesis vertelt hoe Jacob - na een jarenlange dienst bij Laban - Mesopotamië verlaat om met zijn vrouwen, kinderen, vee en goederen naar Kanaän te trekken, het land waar zijn grootvader Abraham zich eens had gevestigd. Evenals Abraham gaat Jacob op reis, nadat God hem de opdracht hiertoe had gegeven; ook hij gaat vergezeld van een belofte van God (Gen. 31:3).
In Kanaän vestigt hij zich met zijn familie en rijke veestapel. De kuddes worden door Jacobs zonen geweid.
In Genesis wordt ons verteld dat Jacob twee jonge zonen had: Jozef en Benjamin. Jozef, 17 jaar oud, wordt wegens nijd en afgunst door zijn broers verkocht en komt zo in Egypte terecht (Gen. 37). Daar verkrijgt hij een zeer hoge, administratieve positie. Een belangrijk onderdeel van zijn functie was het beheren en distribueren van de opbrengsten van het land. Wanneer er een grote, algemene hongersnood uitbreekt, komen Jacob en zijn zonen, op zoek naar koren, in Egypte aan, waar - dank zij het beleid en beheer van Jozef - nog voldoende voedsel was. Jacob en zijn zonen blijven, door bemiddeling van Jozef, definitief in Egypte, in het land Gosen.
De 12 stammen, die voortkwamen uit Jacobs zonen, groeien in Egypte uit tot een groot volk. Later worden zij echter door de Egyptenaren als slaven gebruikt en moeten harde verdrukking lijden. Een Egyptisch papyrus vermeldt dat het vaak voorkwam dat slaven uit het land Gosen de Sinaï-woestijn in vluchten. De Hebreuwse slaven moesten voor de farao de steden Pitom en Raämses bouwen (Ex. 1:11).
Het bijbelboek Exodus (= uittocht) vertelt dat de verlossing uiteindelijk kwam door de hand van Mozes, Isaëls grote leider. Vooral in godsdienstig opzicht was hij de3 leidende man, die het volk Israël de weg wees van het monotheïsme en het vertrouwen in en gehoorzamen aan de Ene, Waarachtige God.
Nadat de Isdraëlitische stammen Egypte verlieten, zwierven zij 40 jaar door de Sinaï-woestijn. Na deze lange zwerftocht onder Moses' leiding. bereikten zij eindelijk Kanaän, het land waar hun voorouders woonden en waar zij gedurende hun barre woestijnreis naar verlangden en uitkeken.

Terug