Hebreeuws

De Bijbelse tijd 2

De intocht van het volk Israël in Kanaän
Aan het begin van de studie over de Bijbelse tijd in les 1 hebben wij gezegd dat de Bijbel de belangrijkstebron is voor de geschiedenis van het volk Israël. Dit willen wij hier herhalen, daar wij ook ditmaal de Bijbelse lijnen zullen volgen in deze historische beschouwing.

Het volk Israël was voortgekomen uit de 12 zonen van de aartsvader Jacob, die van God ook de naam "Israël" kreeg (1). Uit deze zonen zijn de 12 stammen voortgekomen, die het volk Israël vormden. Elke stam droeg de naam van de zoon, die de stamvader was. Zo bestond het Israëlitische volk uit deze stammen (genoemd naar de volgorde van Gn. 49, waar Jacob hen voor zijn dood zegent): Ruben, Simeon, Levi, Juda, Zebulon, Issaschar, Dan, Gad, Aser, Naftali, Jozef, Benjamin (2).
Hongersnood had Jacob met zijn zonen naar Egypte gedreven, waar zij uitgroeiden tot een sterk volk (Ex. 1:1-7). Wij zagen reeds dat het volk Israël onder aanvoering van Mozes, Israël's grote leidsman, Egypte verliet op weg naar het door God beloofde land Kanaän. Kanaän wordt beschreven als "een land vloeiende van melk en honing". Deze beschrijving vinden wij bij herhaling in ded Bijbel, vooral in de Pentateuch. Het Beloofde Land wordt in Ex. 3:8 reeds zo geschilderd, wanneer God Mozes roept Zijn volk Israël uit Egypte te leiden waar zij in slavernij verdrukt werden. (3).

De vooravond van de uittocht van Israël uit Egypte werd Pesach (het Paasfeest) ingesteld - Ex. 12 - het feest dat zij getrouw jaarlijks moesten vieren als nagedachtenis aan hun bevrijding van de dood en verlossing uit de verdrukking in Egypte (Ex. 12:12,13,23,27). (In les 9 en 36 zal dit feest worden behandeld.) Na de uittocht uit Egypte zwierf het volk 40 jaar door de woestijn. Gedurende hun lange woestijntocht voerden zij de Tabernakel met zich, het heiligdom dat God hen geboden had te maken, Ex. 25:8 (4)

De Tabernakel begeleidde het trekken van het volk (Nu. 10:33-36). Volgens Ex. 13:17 namen de Israëlieten niet de kortste weg naar Kanaän, daar deze langs de Middellandse-Zeekust door het land der Filistijnen liep. Zij vermeden deze weg, omdat zich langs die kustroute verdedigingsposten van de Egyptenaren bevonden. Zij gingen vanuit Egypte naar de Sinaï-woestijn, waar zij 40 jaar rondzworven. Uiteindelijk kwamen zij aan te Kadesh Barnea, een heerlijke oase in het noordwesten van de Sinaï met een overvloed aan water. Alle plaatsen waar zij gedurende hun jarenlange zwerftocht in de woestijn geweest zijn, worden genoemd in Nu. 33:1-36.

In Nu. 10:12 lezen wij hoe Israël uiteindelijk de Sinaï-woestijn verliet, om vanuit het zuiden Kanaän binnen te trekken. Kadesh Barnea werd het beginpunt van de veroveringscampagnes van Kanaän. De inname begon tegen het einde van de14de eeuw v. Chr. en zette zich voort gedurende de 13de eeuw v. Chr. (5). Alvorens de verovering te beginnen, werden 12 verspieders (één voor elke stam) uitgezonden om het in te nemen land te verkennen (Nu. 13). Zij hadden de opdracht het land en het daar wonen volk te onderzoeken en moesten verslag uitbrengen over de vruchtbaarheid van het gebied en de sterkte en verdediging van de steden en bevolking. Na de verkenningstocht waren van de 12 verspieders alléén Jozua - Mozes' knecht - en Kaleb vol goede moed om Kanaän te veroveren, daar zij op Gods hulp en bijstand vertrouwden (Nu. 14:8,9). De rest van hen was ontmoedigd en bevreesd vanwege de sterke bewoners van het land dat zij zouden moeten innemen. Tóch begonnen de Israëlieten, aangespoord door Mozes die hen leidde, vanuit Kadesh Barnea op te trekken om Kanaän te veroveren. Zij stootten al gauw op Kanaänitische verdedigingsposten. Nu. 14:45 vermeldt de nederlaag, die zij te Horma leden, toen de bewoners van het berggebied hen aanvielen en versloegen.

Toen zij door het land der Edomieten wilden trekken om zó Kanaän te bereiken, werd hen de doortocht geweigerd (Nu. 20:14-21) zodat zij rond Edom moesten reizen (Nu. 21:4) om aan het oostelijke gebied van de Jordaan te komen.
Daar eenmaal aangekomen, wilde de koning van de Amorieten, die daar woonden, hen ook niet laten doortrekken en viel met zijn leger Israël aan (Nu. 21:23). Deze aanval echter eindigde met de overwinning van Israël, die het gebied van de Amorieten in bezit nam. De stammen Ruben en Gad waren inmiddels rijk geworden aan vee en lieten al gauw hun oog vallen op dit landgebied dat, tussen de rivieren Arnon en Jabbok gelegen (zie kaartje), uitstekend was als weidegrond. Daarom verzochten de mannen van deze stammen Mozes hen dit land als erfdeel te geven, opdat zij daar zouden kunnen wonen. Op Mozes' vraag, of zij de rest van hun volk dan in de steek wilden laten bij de verdere verovering van Kanaän aan de andere zijde van de Jordaan, antwoordden zij dat zij hun gezinnen in deze streek achter zouden laten zodat zij zich daar zouden kunnen vestigen, maar dat de strijdbare mannen mee zouden helpen om ook het land Kanaän aan de overzijde van de Jordaan in te nemen (Nu. 32). Zo vestigden de stammen Ruben, Gad en gedeeltelijk die van Manasse (2b) zich in de landstreek aan de oostelijke oever van de Jordaan en de noord-oostelijke streek van de Dode Zee. Israël trok verder Kanaän in.

Mozes, de leider van Israël, stierf op 120-jarige leeftijd en werd opgevolgd door Jozua, die Mozes al lang had bijgestaan en door God was aangewezen als zijn opvolger (Nu. 27:15-23) (6). Deze Jozua leidde het volk verder bij de inname van Kanaän. In het Bijbelboek dat zijn naam draagt, wordt het verloop van de de verovering onder zijn leiding verhaald. De taak die Jozua en het volk wachtte was zwaar, want in Kanaän waren veel sterk verdedigde steden, meest op heuvels gelegen, die door hun bewoners fel verdedigd werden.
Jozua stak met Israël de Jordaan over om het gebied aan de westelijke zijde van deze rivier te veroveren. Zij veroverden en verwoestten daar Jericho, een zeer oude en sterke Kanaänitische stad en de stad Ai. In Jozua 10 lezen wij dat vijf koningen uit het zuidelijke deel van Kanaän zich tegen Israël verenigden om hen met gezamenlijke legers aan te vallen (7). Maar met Goddelijke hulp werden zij door Israël verslagen bij Gibeon in de Ajjalon-vallei.
De Israëlieten namen toen verschillende steden in in Zuid-Kanaän. Een soortgelijke samenzwering van vier koningen vond plaats in Noord-Kanaän; ook zij verzamelden hun legers tegen Israël in de omgeving van de wateren van Merom (Joz. 11). Ook ditmaal versloeg Israël de aanvallers met Goddelijke hulp en nam het gehele gebied in bezit, dat door Jozua als erfdeel verdeeld werd onder de stammen. Na veel veroveringsstrijd hadden de 12 stammen van Israël allen in Kanaän een gebied ontvangen als erfdeel, waar zij zich definitief vestigden (zie kaartje) (8).

De Tijd der Richteren
Na de vestiging van Israël in Kanaän heeft Jozua waarschijnlijk de rest van zijn leven gewijd aan het koloniseren van het land en het regeren van het volk. Na zijn dood (9) was er geen krachtige, besturende hand in Israël. De Israëlieten vormden een soort stammenconfederatie; de stammen waren onafhankelijk van elkaar, maar onderling verbonden door hun monotheïsme, het geloof in de Ene, Enige God, die zich aan de aartsvaders en aan Mozes had geopenbaard als een leidende, helpende God, die Zijn volk vraagt Hem alleen te dienen en trouw te zijn (10). Israël was omgeven door vijanden die andere goden aanbaden. Vele malen verviel Israël, onder druk van de vijandige buren en door angst en ongeloof gedreven, in de afgoderij van de Kanaänitische volkeren die hen omringden. In deze situatie was de nationale ontwikkeling van Israël mager.
Gedurende de eerste 300 jaar in Kanaän werd Israël na Jozua's dood bestuurd door de Richteren (11). Deze periode wordt in het Bijbelboek De term "richter" (12) duidt hier niet zozeer op iemand die "rechtspreekt", maar eerder op een held, die het volk uit bepaalde gevaren hielp en verloste. Dit wordt duidelijk uit de woorden van Ri. 2:16,18: God benoemde een Richter wanneer Israël door een vijand werd verdrukt om door zijn hand verlossing te brengen. Na de verkregen verlossing was de Richter de leidende figuur, die Israël verder richtte.

Er waren eigenlijk twee soorten Richters:
- de Richters die Israël uit de verdrukking door een vijand verlosten en
- de Richters die het volk gedurende een bepaalde periode alleen richtten (= bestuurden).
Tot het eerste type behoren: Otniël (streed tegen koning uit Mesopotamië); Ehud (streed tegen Moabieten, Ammonieten, Amalekieten); Samgar (streed tegen Filistijnen); Debora (de eniger vrouw onder hen) en Barak (streden tegen Kanaänieten); (streden tegen Kanaänieten); Gideon (streed tegen Midianieten, Amelekieten); Jefta (streed tegen Ammonieten); Simson (streed tegen Filistijnen).
Tot het tweede type behoren: Tola en Jaïr (Ri. 10:1-5); Ebzan, Elon, Abdon (Ri. 12:8-15); Abimelech (de usurpator, Ri. 9). De eerstgenoemden zijn het meest bekend; hun namen werden in de geschiedenis van Israël symbool van geloof, moed en overgave.

Noten land en volk
(1) Zie Gn. 32:28, waar Jacob met een man worstelt, die hem de naam "Israël" geeft. Uit het volgende vers 30 blijkt, dat Jacob hier God had gezien en daarom noemde hij de plaats Pniël (= "aangezicht Gods").
(2a) De geboorten van Jacobs zonen worden vermeld in Gn. 29:31-35; Gn. 30:1-24 en Gn. 35:1-18. Bij deze beschrijving moet men voor ogen houden dat het in die tijd gewoon was wanneer een man meer dan één vrouw had, evenals het feit dat een onvruchtbare vrouw haar slavin aan haar man kon geven om zó kinderen te "krijgen". Niet-Bijbelse bronnen vermelden ook deze zeden, zoals b.v. de Nuzu-tabletten.
(2b) De stam van Levi was de Priesterstam die geen erfdeel had in Kanaän, daar zij leefden van de offeranden van het volk (Nu. 18:20-24; Dt. 18:1-5).
(2c) Vóór zijn dood zegent Jacob Jozefs zonen Efraïm en Manasse, en maakt hen elk stamvader van een gehele stam als afstammelingen van Jozef (Gn. 48:1-6).
(3) "Melk en Honing" zijn evenals olijven en hun olie, druiven en de wijn, granaatappelen, amandelen, vijgen en andere vruchten kenmerkend voor de vruchtbaarheid van Kanaän. Deze vruchten worden b.v. genoemd in: Gn. 43:11; Ex. 13:5, 33:3; Lv. 20:24; Nu. 13:27, 14:8, 16:13; Dt. 6:3, 8:8.
(4) Zie voor uitvoerige beschrijving van de Tabernakel Ex. 25, 26, 27.
(5) Wat de reconstructie van de geschiedenis van Israëls verovering en inname van Kanaän betreft zijn er verschillende theorieën.
(6) Jozua, in Hebreeuwse Jehoshóea' (יְהשׁוּעַ) betekent "God zalverlossen". De Griekse vorm van deze naam is Jezus.
(7) Dit waren de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmut, Lachish en Eglon (Joz. 10:5).
(8) De grenzen van Kanaän vindt men beschreven in Nu. 34:1-12.
(9) Hij leidde Israël nog ca. 25 jaar in Kanaän en stierf als 110-jarige. Hij werd begraven in Timnat Serach op een berg in Efraïm (Joz. 24:30).
(10) Dit wordt duidelijk uit Gods woorden aan Abraham in Gn. 15:1 en aan Jacob in Gn. 28:15. In het jodendom zo centraal staande "SHEMA' JISRAEL" (= Hoor Israël)
(11) In Hebreeuws shofetiem (שֹׁפְטִים ) = Richteren, meerv. van het woord shofeet (שׁפֵט ) = Richter, afgeleid van het werkwoord shafat ( שפט ) = richten, rechtspreken.
(12) Deze term shofeet is gelijk aan de term "suffeet", die de magistraten van de Feniciërs en latere Puniërs aanduidde.